Wanneer is er sprake van schijnzelfstandigheid als zelfstandige onderaannemer?

U kent ze wel. De techniekers van Proximus of Telenet die bij u langskomen om een probleem met uw TV of internet te herstellen. Op hun werkkledij, materiaal en auto staat een logo van het bedrijf, maar in theorie betreffen dit allemaal zelfstandige onderaannemers met een eigen ondernemingsnummer die maandelijks moeten factureren. Zijn dit dan geen schijnzelfstandigen rijst quasi automatisch de vraag.

 

Hieronder vind je een echte casus van mijn advocatenkantoor in Kortrijk, en zie je hoe dit in de praktijk kan verlopen.

 

 

De casus: technieker van Proximus maakt melding van schijnzelfstandigheid

 

Ik werd gecontacteerd door een technieker voor Proximus die al een vijftal jaar werkzaam was als zelfstandige onderaannemer (van een onderaannemer van Proximus). Hij werd grote inkomsten beloofd, maar daar kwam uiteindelijk weinig van in huis. Uiteindelijk diende hij zelfs de collectieve schuldenregeling aan te vragen omdat hij niet meer rondkwam.

 

Volgens de technieker was hij een schijnzelfstandige en werd hij slachtoffer van het boetesysteem die door Proximus in het leven is geroepen om hun zelfstandige onderaannemers te controleren en de onderhouds – en installatiebeurten naar behoren te doen verlopen.

 

 

Het geschil: Vaststelling schijnzelfstandigheid en herkwalificatie samenwerkingsovereenkomst

 

Mijn cliënt was van oordeel dat hij eigenlijk fungeerde als werknemer en de onderaannemer van Proximus als werkgever. De samenwerkingsovereenkomst die hij destijds had getekend diende dan ook te worden geherkwalificeerd naar een arbeidsovereenkomst met dienvolgens alle noodzakelijke vergoedingen waarop een werknemer recht heeft (achterstallig loon, opzegvergoeding, kennelijk redelijk ontslag, enz).

 

Mijn cliënt deelde mee dat hij zijn prestaties moest factureren op basis van een zelf door Proximus geproduceerde lijst van interventies. De facturen werden enkel maar betaald als ze volgens die lijst werden opgesteld.

 

Bovendien zou er sprake zijn geweest van een arbitrair boetesysteem bij beweerdelijk gebrekkige interventies en het in rekening brengen van niet besproken administratiekosten. Daarenboven kwam ook nog eens de kost voor de huur van een voertuig.

 

Proximus argumenteerde dat cliënt heel goed op de hoogte was van wat hij had getekend en dat de mindere inkomsten te wijten waren aan de mindere prestaties

van cliënt. Volgens Proximus was er dan ook geen sprake van schijnzelfstandigheid en diende de vordering van cliënt te worden afgewezen.

 

De uitspraak: Afwijzing van schijnzelfstandigheid

 

De Arbeidsrechtbank verklaarde de vordering van cliënt ongegrond :

 

De vraag welke arbeidsrelatie cliënt had met Proximus dient te worden beoordeeld aan de hand van titel XII van de Programmawet van 27 december 2006, met name de Arbeidsrelatiewet.

 

Bij de beoordeling van de arbeidsrelatie werd in eerste instantie rekening gehouden worden met de wilsautonomie: partijen zijn vrij de arbeidsrelatie te kiezen, maar dienen dan wel de volle juridische gevolgen van hun keuze te dragen.

 

De door de partijen gekozen kwalificatie moet overeenstemmen met de effectieve en feitelijke uitoefening van de overeenkomst. Indien uit de uitvoering van de overeenkomst blijkt dat er voldoende elementen zijn die de gegeven kwalificatie uitsluiten, zal er een herkwalificatie komen.

 

De criteria van schijnzelfstandigheid

 

De Arbeidsrelatiewet toetst de feitelijke elementen aan vier algemene criteria:

 

De wil van de partijen

De vrijheid van organisatie van de werktijd

De vrijheid van organisatie van het werk

De mogelijkheid een hiërarchische controle uit te oefenen.

 

 

De rechtbank heeft deze vier criteria in concreto beoordeeld en is tot het besluit gekomen dat cliënt faalde in zijn bewijslast om aan te tonen dat de samenwerkingsovereenkomst die hij met Proximus had afgesloten diende te worden geherkwalificeerd.

 

Volgens de rechtbank is een boetesysteem mogelijk in een zelfstandige aannemingsovereenkomst tussen hoofdaannemer en onderaannemer. Ook het huren van een voertuig van Proximus schept geen vermoeden van arbeidsovereenkomst (noot dit is wel zo in de transportsector, zie verder).

 

Ook de verplichting om zich te identificeren met een kaart van Proximus en het Proximus logo te gebruiken staat een zelfstandige samenwerking niet in de weg.

 

De rechtbank is ook van oordeel dat het niet noodzakelijk in strijd is met een zelfstandige overeenkomst te controleren of een onderaannemer effectief de opdracht uitvoerde en of hij deze werken behoorlijk uitvoerde. Er kan aanvaard worden dat Proximus de facturen slechts betaalde na controle.

 

 

Conclusie: Hou de voorwaarden van schijnzelfstandigheid in het oog

 

Het is opvallend dat de rechtbank bijzonder soepel omgaat met de criteria om van schijnzelfstandigheid te spreken. De rechtbank kent bijzonder veel waarde toe aan de wilsautonomie.

 

Dat betekent dat er omzichtig moet omgegaan worden met het aangaan van zelfstandige onderaannemingen. Veel onderaannemers worden immers verblind door de belofte van het grote geld om na enige tijd te moeten vaststellen dat er weinig overblijft.

 

Vaak gestelde vragen over schijnzelfstandigheid

 

Wat is een arbeidsrelatie?

 

Een arbeidsrelatie wordt omschreven in artikel 328 van de Arbeidsrelatiewet. Dit artikel bepaaltdat een arbeidsrelatie een samenwerking op professionele basis is, waarbij arbeid wordt gepresteerd door de een partij die ofwel een werknemer ofwel zelfstandige is.

 

In dit artikel worden de begrippen werknemer en zelfstandige als volgt gedefinieerd:

 

Een werknemer

 

Een werknemer is een persoon die zich via een arbeidsovereenkomst verbindt. De werknemer zal tegen betaling van een loon, arbeid verrichten onder het gezag van een andere partij, de werkgever.

 

Een zelfstandige

 

Een zelfstandige daarentegen is een natuurlijke persoon die niet onder het gezag staat van een werkgever bij de uitoefening van zijn beroepsactiviteit. De zelfstandige is ook niet verbonden door een statuut.

 

Wat is schijnzelfstandigheid?

 

Diegenen die men schijnzelfstandigen noemt, zijn werknemers die, goed- of kwaadschiks, het sociaal statuut van de zelfstandige aannemen, terwijl zij in werkelijkheid hun beroepsactiviteit uitoefenen onder het gezag van een werkgever, en dus in de hoedanigheid van loontrekkende. 

De toevlucht tot schijnzelfstandigheid is een vorm van sociale fraude die de solidariteit waarop het hele systeem van de Belgische sociale zekerheid berust zwaar ondergraaft. 

Deze fraude laat toe om de arbeidskost te drukken doordat de betaling wordt ontlopen van

patronale socialezekerheidsbijdragen die verschuldigd zijn in het kader van het statuut van loontrekkende. Zij laat ook toe te ontsnappen aan de dwingende regels die verbonden zijn aan de arbeidsovereenkomst, zoals de regels ter bescherming van de werknemers, waaronder bijvoorbeeld de arbeids- en rusttijden, de moederschapsbescherming, de loonbescherming,… . 

Wat zijn de gevolgen van schijnzelfstandigheid voor de werkgever en werknemer

De kwalificatie als schijnzelfstandige of valse zelfstandige kan zware gevolgen hebben voor zowel de werkgever als de werknemer.

De FOD Sociale Zekerheid zal aankloppen bij de werkgevers om achterstallige werkgevers- en werknemersbijdragen te betalen. Deze bijdragen kunnen met een terugwerkende kracht van 7 jaar worden teruggevorderd in geval van fraude. De fiscus kan daarnaast de achterstallige bedrijfsvoorheffing opeisen en tevens sancties opleggen, zoals geldboetes of zelfs gevangenisstraffen.

Een schijnzelfstandige kan geherkwalificeerd worden als werknemer. Daardoor kan de btw-administratie de btw-aftrek van de vermeende facturen betwisten en kan de fiscus de schijnzelfstandige aanspreken om de achterstallige bedrijfsvoorheffing te betalen. De herkwalificatie als werknemer heeft ook bepaalde voordelen. Zo kunnen de onterecht betaalde sociale zekerheidsbijdragen teruggevorderd worden en kan je als werknemer genieten van onder andere een eindejaarspremie en loonindexeringen.

 

Is er vermoeden van schijnzelfstandigheid bij het gebruiken of huren van een voertuig door een zelfstandige chauffeur

 

In de transportsector komt het vaak voor dat zelfstandige chauffeurs gebruik maken van een voertuig van de hoofdaannemer om hun prestaties te verrichten. Zelfstandige chauffeurs die rijden met voertuigen die niet van hen maar van hun zelfstandige hoofdaannemer zijn worden vermoed schijnzelfstandigen en dus werknemers te zijn. Dit heeft grote gevolgen voor de werkgever die dreigt achterstallig loon, RSZ-bijdragen, enz. te moeten betalen, om nog maar van de administratieve of strafrechtelijke boetes te zwijgen. De wettelijke basis is hiervoor in onderstaande wet te vinden:

Artikel 3,5° Koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders bepaalt dat de toepassing van de RSZ-wet wordt verruimd tot:

  ”5° de personen die vervoer van (...) goederen verrichten dat hun door een onderneming opgedragen wordt, door middel van voertuigen waarvan zij geen eigenaar zijn of waarvan de aankoop gefinancierd of de financiering gewaarborgd wordt door de ondernemer, alsmede tot die ondernemer.”

 

Heb je nog vragen over schijnzelfstandigheid? Neem dan vrijblijvend contact op met ons

kantoor en wij helpen je zo snel mogelijk!

De voorwaarden van schijnzelfstandigheid valse zelfstandigheid